De komende vrijdagen publiceer ik steeds een van de verhalen die mijn vader Daan Klaassen (1934-2001) heeft geschreven.
Lange dunne
Als ik aan vis denk, denk ik aan Volendam, waar ik werkte van december 1958 tot augustus 1960. Ik was kostganger bij Henk en Gaar, een buschauffeur en zijn eega. Als Henk terugkwam van zijn late dienst, had hij vaak een gerookte makreel mee. Die nog warme vis aten we met ons drieeën op, 's avonds om half elf.
Het is geen wonder dat ik nog nooit zo zwaar ben geweest als in die tijd: vierenzeventig kilo. Maar misschien kwam dat ook door de lange dunne, zoals de ondermaatse palingen werden genoemd. Bij de palingvangst waren die per ongeluk opgevist, maar 's morgens voor dag en dauw, dus nog voor er gecontroleerd werd, ging Jan en alleman naar de botter van deze of gene bevriende visser om zijn of haar emmertje aal op te halen.
Ik zie nog de stukjes aal rechtop in het lage emaillen schaaltje staan, klaar om gegeten te worden. Hoe het bereid werd weet ik niet, maar voor ik in Volendam was had ik noch lange dunne noch gerookte makreel gegeten. Je zou zie tijd 'de periode van de lange dunne' kunnen noemen.
Thuis aten we vis op de vrijdagen die daartoe bij kerkelijke wetgeving waren uitgekozen, o.a. de quatertemperdagen die in de volksmond kwaaie temperdagen heetten. Maar welke vis we ook aten: aan graten had ik een hekel. De lekkerte moest zonder gepriegel genoten worden. Gerookte paling en gebakken bokking vond ik het lekkerst.
2 uur geleden